Specialist in betaalbare koopwoningen in Italië
Uw droomhuis op basis van no cure no pay

Geschiedenis van Zuid-Italië

EEN OVERZICHT VAN DE GESCHIEDENIS VAN ZUID-ITALIË
Magna Graecia, Latijn voor Groot-Griekenland, was de antieke benaming voor Zuid Italië en Sicilië. Deze gebieden waren door de Grieken gekoloniseerd tussen 800 en 600 v.Chr.

Bijna alle steden hier hebben Griekse wortels. Een aantal belangrijke kolonies van Magna Graecia, zoals Neapolis (tegenwoordig Napels) en Syracuse, hebben een belangrijk aandeel gehad in de culturele vorming van de Romeinen.
Rond de 8e eeuw v. Chr. stichtten de Griekse kolonisten op zo’n 10 km van het huidige Napels een van de eerste Griekse kolonies, genaamde Cumae. Op het voor de kust gelegen eiland Ischia hadden ze eerder al een handelspost gesticht. De havenstad Cumae groeide uit een welvarend handelscentrum dat gedurende 200 jaar zou floreren.

Het mysterieuze en hoogontwikkelde zeevaarders volk van de Etrusken heersten destijds over grote delen van Toscane, Latium en Umbrië. Zij vielen Cumae twee keer aan, zonder succes. De heftigste strijd was in 474 v. Chr., toen in de Baai van Napels een grote zeeslag plaats vond tussen de Etrusken en de Griekse kolonies Cumae en Syracuse. Na de nederlaag verloren de Etrusken veel van hun politieke invloed en hun heerschappij over de zeehandel.

De Grieken vestigden zich altijd dicht bij de kust. In het binnenland handhaafden zich inheemse Italische volkeren. Evenmin als de Griekse stadstaten van het moederland hebben die van Groot-Griekenland nooit één politieke eenheid gevormd: particularisme en onderlinge rivaliteiten hebben het streven naar politieke integratie steeds tegengewerkt. Wat niet wegneemt dat de invloedrijkste steden ernaar gestreefd hebben hun macht over een zo groot mogelijk territorium uit te breiden.

Al is de term “Groot-Griekenland” ook van toepassing op de steden in Zuid-Italië, toch was Sicilië vanwege zijn centrale positie in de Middellandse Zee voorbestemd om de belangrijkste rol te spelen in de geschiedenis van de Westelijke Grieken.

De 7e en 6e eeuw v Chr.

Aan het einde van de 7e eeuw v.Chr. hadden de Griekse landbouwkolonies in het westen zulk een peil van welstand bereikt dat ze zich voortaan op handel konden toeleggen. Landbouwproducten uit Sicilië konden geruild worden voor allerlei waren uit het Griekse moederland, maar ook uit Etrurië en Carthago.

De invoering van het muntgeld kon de bloei van de handel alleen maar bevorderen. Toch had deze heroriëntering van de economie ook negatieve gevolgen.
De oude landadel had afgedaan, wanneer eenmaal de handeldrijvende klasse tegen zijn voorbijgestreefde privileges in opstand kwam. In de meeste steden werd de crisis opgelost door de instelling van de tirannie, maar vergeleken bij de tirannen die in dezelfde periode over de steden in het moederland regeerden, was de macht van de Siciliaanse tirannen véél groter en ging zij gepaard met meer willekeur en wreedheden.

Ondanks de onvermijdelijke excessen hebben de tirannen van Groot-Griekenland zich toch ook in verschillende opzichten verdienstelijk gemaakt: onder meer door de herverdeling van de gronden, het uitvoeren van allerlei openbare werken van algemeen nut, en de verfraaiing van de stedelijke gebieden hebben zij de sociale toestanden aanzienlijk verbeterd.

Sommigen onder hen hadden ook een bredere visie op de politiek. Zo besefte Falaris van Akragas (ca. 570 – 554 v.Chr.) als eerste dat hij het grondgebied van zijn stad moest uitbreiden om de Carthaagse expansie naar het Oosten een halt toe te roepen.

De 5e eeuw v Chr.

De eerste die met plannen rondliep voor de politieke éénmaking van alle Griekse steden op Sicilië – en daadwerkelijk ook het oosten van het eiland grotendeels in zijn macht had – was Hippocrates van Gela.

Zijn opvolger Gelo slaagde erin Syracuse in te nemen (485 v.Chr.) en met Theron van Akragas een bondgenootschap te sluiten.
Toen Selinus en Himera echter een verdrag sloten met aartsvijand Carthago werd een botsing tussen de twee grootmachten op Sicilië onvermijdelijk: de overwinning van Theron op de Carthagers in Himera (480 v.Chr.) beveiligde de Siciliaanse Grieken bijna een eeuw lang tegen het Carthaagse gevaar.
Toen Hiëro I van Syracuse er ook in slaagde bij Kyme de Etrusken te verslaan (476 v.Chr.) was ook het gevaar dat Groot-Griekenland vanuit het noorden had kunnen bedreigen voorgoed afgewend.

De relatieve vrede en de economische welvaart die hieruit voortvloeiden ondermijnden echter het regime van de tirannen.
In de eerste helft van de 5e eeuw v.Chr. werd de tirannie vrij algemeen vervangen door een democratie waarin de handeldrijvende burgerij de invloedrijkste lobby vormde.

Van de moeilijkheden die zich de volgende jaren aandienden, wist Syracuse handig gebruik te maken om zijn hegemonie te verstevigen, zodat het omstreeks 440 v.Chr. de facto over ¼ van het eiland regeerde.

Andere steden die zich benadeeld voelden probeerden zich te groeperen onder de leiding van Athene, hetgeen leidde tot het grote fiasco van Alcibiades in 413 v.Chr.

Het groeiende imperialisme van Selinus en Akragas lokte anderzijds een Carthaagse interventie uit (409 – 405 v.Chr.): Carthago verwoestte Selinus, Himera en Akragas en namen Gela in.

Van deze noodtoestand maakte Dionysius de Oude gebruik om de tirannie in Syracuse opnieuw in te stellen.
De geschiedenis van de Griekse steden op het Italiaanse vasteland in de 5e eeuw was niet minder bewogen. Locri was een bondgenoot van Syracuse tégen Rhegium, dat van zijn kant vriendschapsbetrekkingen onderhield met Tarentum, dat zijn positie geleidelijk aan had weten te verstevigen.

In Croton, dat aanvankelijk onder invloed van de Pythagoreeërs stond, braken heftige rellen uit toen de aanhangers van deze sekte uit de stad werden verdreven. Enkel tijdens de Atheense expeditie tegen Sicilië (414 v.Chr.) slaagden de steden er enigszins in front te vormen. Naast hun onderlinge twisten hadden zij bovendien nog af te rekenen met de vijandigheid van de inheemse Italische bevolking, een probleem dat in Sicilië veel minder acuut was geweest.

De 4e eeuw v.Chr.

Gedurende de hele 4e eeuw bleef Syracuse de leidende mogendheid in Groot-Griekenland.
Dionysius de Oude (405 – 367 v.Chr.) bracht alle Grieken in Sicilië onder zijn macht, en nam de titel “archont van Sicilië” aan.
Herhaaldelijk versloeg hij de Carthagers en werkte op die manier de vergrieksing van Sicilië in de hand. Hij slaagde er ook in zijn macht te vestigen in Zuid-Italië en hij durfde zich zelfs bemoeien met de aangelegenheden van het Griekse moederland.

Na de bewogen regering van zijn zoon Dionysius de Jongere (367 – 344 v.Chr.) voerde Timoleon (344 – 337) een timocratische staatshervorming door, waarna pogingen ondernomen werden om een statenbond van Griekse steden op Sicilië te stichten.

Na de dood van Timoleon leidden onlusten echter tot het herstel van de tirannie door de opportunistische avonturier Agathocles (317 – 289 v.Chr.), die na enkele regeringsjaren zelfs de koningstitel aannam, en grootste plannen ondernam om Carthago op eigen bodem te gaan bestrijden, hetgeen door zijn besluiteloosheid mislukte.

De Griekse steden op het vasteland hadden vaak het hoofd moeten bieden aan de inheemse bevolking (Lucaniërs, Bruttiërs, …)
Na de regering van Dionysius de Oude deed Tarente een beroep op Alexander I van Epirus (een oom van Alexander de Grote), die wel vele Italische stammen versloeg, maar uiteindelijk op verzoek van de Tarentijnen vermoord werd, omdat ze hem ervan verdachten zelf een koninkrijk op Sicilië te willen stichten.

De machtsovername door de Romeinen

De conflicten tussen Grieken en Italiërs zouden spoedig in het niet verzinken door de opkomst van een nieuwe grootmacht.
Op het einde van de 4e eeuw hadden de Romeinen de Griekse steden van Campania reeds in hun macht. Na de onderwerping van de Samnieten (295 v.Chr.) en het sluiten van een bondgenootschap met de Lucaniërs vormden zij nu een onmiddellijke bedreiging voor de Grieken in Zuid-Italië.

Reeds hadden verscheidene steden (Thurii, Locri, Rhegium) de aanwezigheid van een Romeins garnizoen aanvaard, toen Tarente in actie kwam: om de vrijheid van de Grieken te waarborgen beraamde het een oorlog tegen Rome, met de bijstand van Pyrrhus van Epirus.
Deze versloeg de Romeinen tot tweemaal toe (280 / 279 v.Chr.), maar hij verloor daarbij een groot deel van zijn manschappen. Inmiddels staken ook op Sicilië nieuwe gevaren de kop op.

Na de dood van Agathocles (289 v.Chr.) viel diens rijk uiteen, en zijn huurlingen hadden Messina ingenomen (waar zij zich vestigden als “Mamertijnen”, d.i. zonen van de oorlogsgod “Mamers” of “Mars”), van waaruit zij grote verwoestingen aanrichtten in het oosten van het eiland.

Tot overmaat van ramp sloten zij een verbond met Carthago, en maakten zij van de verdeeldheid onder de Grieken gebruik om hun eigen macht uit te breiden en Syracuse met hun vloot te bedreigen (278 v.Chr.). Ook Syracuse riep Pyrrhus te hulp. Deze dreef de Carthagers naar de westelijke hoek terug en werd overal als “koning van Sicilië” onthaald.

Maar omdat hij het verzuimde op het juiste ogenblik vrede te sluiten, wist hij zijn successen niet te benutten. In 275 keerde hij naar het Italische vasteland terug, waar de situatie in zijn nadeel geëvolueerd was.

De Romeinen hadden zich inmiddels georganiseerd om zijn krijgsolifanten efficiënter te bestrijden, zodat hij bij Beneventum een nederlaag leed. Hij liet een garnizoen achter in Tarente en moest zich eerloos in Epirus terugtrekken, waarna Tarente zich in 272 aan de Romeinen moest overgeven.

    

Dat was het formele einde van de Griekse onafhankelijkheid in Zuid-Italië, maar anderzijds het begin van de vergrieksing der Romeinse beschaving. En toen de Romeinen in 270 ook Rhegium innamen werd het duidelijk dat ook de verovering van Sicilië nog maar een kwestie van tijd was.
De Mamertijnen gaven hiertoe de aanleiding toen zij de hulp van de Romeinen inriepen tegen Carthago.

In de daarop volgende Eerste Punische Oorlog (264 – 241) konden de Romeinen geheel Sicilië veroveren, met uitzondering van het rijk van Hiëro II van Syracuse (269 – 215), dat ongeveer een kwart van het eiland besloeg. Hiëro was de laatste, maar één van de knapste tirannen van Syracuse, en zeker de meest humane.
Door zijn handige diplomatie had hij een bondgenootschap met de Romeinen kunnen sluiten, en daarvan kon Syracuse profiteren om opnieuw voorspoed en luister te verwerven.

Maar toen de stad na zijn dood even de zijde van Carthago koos (ontmoedigd door de Romeinse nederlaag bij Cannae), keerde Rome zich onverwijld tegen zijn vroegere bondgenoot. Na een langdurige belegering dankzij de verdedigingswerken van Archimedes, werd Syracuse uiteindelijk in 211 door verraad ingenomen en aan een vreselijke plundering blootgesteld.

Sicilië werd de eerste overzeese provincie van het Romeinse Rijk, en de rijkdom aan landbouwproducten (hoofdzakelijk graan) maakte het eiland voor de veroveraars zeer kostbaar. De graanbouw werd uitgebreid door een sterke immigratie vanuit Italië: vele Romeinen kochten er grote landgoederen (latifundia). Sicilië zou Rome’s voornaamste graanleverancier blijven, totdat, onder Augustus, Alexandria et Aegyptus die rol zou overnemen.

De slechte arbeidsomstandigheden op het grootgrondbezit leidden echter tot verwoestende slavenoorlogen (136 tot 132 v.Chr. en 104 tot 99 v.Chr.).
Ook de vrije bewoners van Sicilië waren meer dan eens verbitterd over de afpersingen van corrupte stadhouders (vb. Verres).
In de Keizertijd verbeterde het bestuur enigszins; de Romeinse keizers werden grote landeigenaars op het eiland, dat door de stichting van vele kolonies steeds meer geromaniseerd werd.

Het einde van de Oudheid.

Aan de Romeinse overheersing op Sicilië kwam een eind in de 5e eeuw, toen het eiland werd geplunderd door de Vandalen onder Geiserik.
In 476 kwam het in handen van Odoaker, en in 491 van de Ostrogoten. Tijdens een oorlog met de Byzantijnen wist Belisarius, veldheer van keizer Justinianus, Sicilië in 535 te veroveren, waarna het deel bleef uitmaken van het Byzantijnse Rijk, tot de Arabieren in de 9e eeuw met hun aanvallen begonnen.

Bronnen, noten en/of referenties 1. ↑ Dialect areas according to: Roger D. Woodard (2008), “Greek dialects”, in: The Ancient Languages of Europe, ed. Roger D. Woodard, Cambridge: Cambridge University Press, p.51. (= partial re-published version of The Cambridge Encyclopedia of Ancient Languages, (2004)

    

De geschiedenis van de Normandiërs in Zuid-Italië.

In de 9e eeuw vestigden zich Noormannen aan de monding van de Seine. Hun gebied groeide uit tot het hertogdom Normandië dat in 911 door de Franse koning werd erkend.

De Noormannen namen in de loop van de 10e eeuw de Franse cultuur en taal over en bekeerden zich tot het rooms-katholicisme.
Voor de jonge edelen was Normandië echter al weer snel te klein. Vanuit Normandië ondernamen ze nieuwe avonturen. Een aantal van hen kwam tijdens pelgrimstochten naar Jeruzalem in Zuid Italië terecht. Dat was rond het jaar 1000 ongeveer als volgt verdeeld.

Het gebied van de huidige regio’s Campanië en Basilicata werd ingenomen door de Longobardische vorstendommen Capua, Salerno en Benevento, officieel leengoederen van het Rooms Duitse Rijk.

De steden Napels, Sorrento, Amalfi en Gaeta waren Byzantijns maar gedroegen zich als zelfstandige stadstaatjes. Apulië en Calabrië waren weer stevig in Byzantijnse handen, al streefden ook daar de grote steden naar onafhankelijkheid.

Sicilië tenslotte was volledig Arabisch.

    

De voortdurende gevechten tussen deze bevolkingsgroepen boden vechtersbazen grote kansen voor een militaire carrière. Zo vocht een groep Noormannen aan de kant van Napels tegen Capua. Als beloning daarvoor ontving hun aanvoerder in 1029 een klein graafschapje, Aversa, even ten noorden van Napels.

Vanaf dat moment hadden de Noormannen ‘eigen’ territorium in Zuid-Italië en dat bracht een immigrantenstroom op gang. Onder de immigranten waren drie van de twaalf zonen van een zekere Manfred d’Hauteville: Willem (‘IJzeren Arm’), Drogo en Humfried.

Ook zij zochten werk als militair. Eerst vochten zij aan de zijde van de Byzantijnen tegen de Saracenen, maar toen her en der opstanden tegen de Byzantijnen uitbraken, zagen zij hun kans schoon om, onder Longobardisch commando, het Byzantijnse gebied te veroveren.

Toen de Longobarden de strijd niet zo hard doorzetten als de Noormannen wilden, trokken de laatste het initiatief naar zich toe. In de stad Melfi belegden zij in 1042 een vergadering waarbij Willem (‘IJzeren Arm’) werd benoemd tot graaf van Troia en Melfi.

Het nog te veroveren gebied in Apulië en Calabrië werd alvast verdeeld in graafschappen en toegewezen aan de aanvoerders van de Noormannen.
De eerste vijf jaar waren de graven nog leenmannen van de hertog van Capua en Salerno maar daarna werden ze eigen baas.

De broers D’Hauteville volgden elkaar op als ongekroonde leiders van de het Noormannengebied. Vanuit Normandië kwamen intussen nieuwe immigranten om de gelederen te versterken. Onder hen een vierde D’Hauteville: Robert Guiscard (‘De Sluwe’) die in korte tijd een eigen legertje opbouwde.

    

De Noormannen breidden hun territorium snel uit en gingen daarbij meedogenloos tekeer. Dit tot groot ongenoegen van paus Leo IX die met zijn leger een einde probeerde te maken aan het Noormannengeweld. Hij moest die poging echter bekopen met een grote nederlaag en negen maanden gevangenschap.

Onder invloed van de hervormingsgezinde Hildebrand, de latere paus Gregorius VII, veranderde houding van de paus ten opzichte van de Noormannen. Rome was voor zijn verdediging afhankelijk van de Duitse keizer en daardoor kon de paus niet optreden tegen de misstanden in de kerk die mede door die keizer in stand werden gehouden en tegen de grote invloed van het Duitse hof op de pauskeuze. De paus zag in de Noormannen dus een alternatief voor de Duitsers en wilde hen aan zich binden.

Paus Nicolaas II verhief daarom in juli 1059, tijdens een synode in de Noormannenhoofdstad Melfi, Robert Guiscard tot hertog van Calabrië, Apulië en Sicilië.

Robert Guiscard erkende de paus als leenheer. Om de goede betrekkingen te benadrukken wijde de paus persoonlijk de grafkerk van de familie D’Hauteville in het nabijgelegen Venosa. Robert Guiscard was nu wel hertog van Sicilië, maar voor dat hij daar ook het gezag kon uitoefenen moest hij het eiland eerst veroveren. Het was namelijk nog volledig in handen van Arabieren.

De Fatimiden-dynastie had in 910 op Sicilië de macht in handen, maar zij raakten onderling verdeeld. Daarvan wilden de Byzantijnen gebruik gebruik maken. Met hulp van de Normandiërs wilden zij proberen zij hun bezit te heroveren. De Normandiërs hadden aan hun zijde gestreden tegen de Saracenen, maar toen her en der opstanden tegen de Byzantijnen uitbraken, zagen zij hun kans schoon om, onder Longobardisch commando een gebied op de Byzantijnen te veroveren.

Dit gebied en alle nog te veroveren gebieden werden alvast verdeeld in graafschappen en toegewezen aan de aanvoerders van de Noormannen.





Cilento Droomhuizen biedt u unieke objecten aan.
U vindt deze nergens anders!

Cilento Droomhuizen

Technisch adviesbureau voor aankoop van onroerend goed in Cilento.
Carmen & Ger Eikendal
Kraneweg 117
98718JN Groningen
050 3131439

© 2017 cilentodroomhuizen.nl

KvK nr.: 01157939

 

Algemene Voorwaarden en Opdracht tot dienstverlening.

Algemene voorwaarden

Opdracht tot dienstverlening

Meer interessante links.

Spazio Architecten: architecten & adviseurs, Nederlands management in Italië.

Mondi: belangen organisatie voor (potentiële) eigenaren van recreatie woningen in het buitenland.

Huis en Aanbod
Aanbod van 694 makelaars en particulieren

Il Giornale
Veel informatie over Italië.

Disclaimer & Privacy

Disclaimer en privacy